Wie werkt voor zijn geld, heeft binnenkort definitief het nakijken
Illustratie door Studio Ski (voor De Correspondent)
De komende decennia wordt er 240 miljard euro geërfd door een kleine groep bofkonten. De pechvogels kunnen werken tot ze erbij neervallen, maar maken weinig kans om hogerop te komen en een leuk huis te kopen. De regels van het kapitalisme dreigen onuitlegbaar oneerlijk te worden, tenzij we vandaag handelen.
‘Ik heb een huis gekocht!’ jubelt een vriendin als ik vraag hoe het met haar gaat. Een prestatie van formaat: als alleenstaande werkstudent overbood ze stelletjes met twee fulltimebanen en een volle spaarpot. Zij hoefde namelijk niet langs de ballotagecommissie van de bank, maar tekende haar hypotheek aan de keukentafel, bij haar ouders.
Het is een publiek geheim: wil je als starter een koophuis in een stad, dan bied je allang niet meer tegen je leeftijdsgenoten, maar tegen hun vaders en moeders, of zelfs oma’s en opa’s. Jouw startsalaris en spaarvarken tegen hun dertig jaar opgepotte overwaarde – prettige wedstrijd. Reken maar dat je wordt weggedrukt door persoonlijke hypotheken, erfenissen, uitgekookte fiscale constructies, handtassen vol cash en torenhoge Tikkies onder de noemer ‘cadeau oma’.
Inmiddels bezitten kinderen van rijke ouders op hun 35e twee keer zo vaak een koophuis als kinderen van arme ouders. En let op: dat is een landelijk gemiddelde, dus de rijtjeshuizen van Raalte en Roermond tellen gewoon mee. Het gat is in populaire steden natuurlijk vele malen groter.
Bepaalt loon (uit werk) straks nog je sociaal-economische positie, of doet vermogen (uit familie) dat? Het is een vraag die elke liberale democratie zich nú zou moeten stellen, want we staan aan de vooravond van de grootste vermogensoverdracht aller tijden.
De samenleving zal nooit meer hetzelfde zijn
Wie zijn best doet, komt vooruit, zo luidde de belofte van het naoorlogse sociale contract. Je loonstrook was daarbij de hoogste troef, want in de wederopbouw pasten de meeste schenkingen en erfenissen nog in een schoenendoos en werden ze bovendien verdeeld over veel meer kinderen.
Dat is ingrijpend veranderd. Sinds 2011 kroop het mediane loon met 48 procent omhoog. Ondertussen groeide het mediane vermogen met 326(!) procent. Vooral de laatste tien jaar gaat het hard. Het vermogen van 65-plussers dijde uit van 451 miljard in 2015 tot 955 miljard in 2025.
Zijn de babyboomers na hun pensioen massaal aan het daghandelen geslagen tussen het klaverjassen door? Welnee, ze konden prima achteroverleunen. Huizenbezit van ouders, dát is waar de breuklijn tussen de haves en de havenots loopt. In het nog te verschijnen boek De babyboomerbiljoenen van econoom Jona van Loenen, die betoogt dat Nederland een ‘erfocratie’ wordt, stuitte ik op verbluffende data van de economen Dirk Brounen, Nils Kok en Jonas Wogh.
Ben jij het kind van ouders met een koophuis, dan mag ik je feliciteren: jij en je broers en zussen kunnen rekenen op een erfenis van pak ’m beet vier ton. Maar groeide je op in een huurwoning, dan kom je daar in de verste verte niet bij in de buurt. Het verschil is geen factor twee tot drie, maar een factor twaalf tot twintig.
In De babyboomerbiljoenen lees ik bovendien dat er in Nederland de komende tien jaar 240 miljard euro wordt nagelaten, en de komende twintig jaar 450 miljard euro. Waar dat geld terechtkomt, laat zich raden. De helft van alle erfenissen belandt bij de toch al rijkste 10 procent. En bijna 20 procent belandt bij de top 1 procent. En dus stevenen we af op een situatie waarin je met arbeid niet langer op kunt boksen tegen aangeboren vermogensverschillen.
Als er niet snel iets verandert in ons belastingstelsel, zal onze samenleving er straks fundamenteel anders uitzien dan die van dertig jaar geleden. Want Nederlanders (nou ja, sommige Nederlanders) zijn de afgelopen decennia zó rijk geworden dat hun giften straks fors meer opleveren dan jouw werklust.
Eerlijk of niet?
Los van de vraag of dit het type samenleving is waar je naartoe moet willen, kun je een andere vraag stellen: hoe eerlijk is het?
Bij schenkingen en erfenissen moeten we rekening houden met drie groepen. Allereerst is daar het recht van de gever. Laten we aannemen dat die zijn geld zelf heeft verdiend. Het is zijn geld, en het doorschuiven naar een (klein)kind lijkt me een minstens zo nobele bestemming als het stukslaan op roulette in Holland Casino, sloffen zware Van Nelle, zelfbruiner, flatscreens en grote marmeren standbeelden van apen in de voortuin – allemaal bestedingen die onze liberale democratie zonder morren toestaat. Ziedaar één reden om schenkingen en erfenissen in elk geval niet helemaal weg te belasten.
Dan het recht van de ontvanger. Dat is op zijn best wankel. Er is geen enkele goede reden te bedenken waarom een kind uit een vermogende familie – naast een veiliger thuis, een bredere woordenschat, meer geld voor hobby’s (allemaal gemiddeld genomen) – ook nog een grote zak geld heeft ‘verdiend’.
Ten slotte het recht van de rest. Elke losse schenking oogt als een onschuldige meevaller, toch? Niemand die er last van heeft. Maar mensen meten zich nu eenmaal ook aan anderen, en aan de vraag of de sociaal-economische verhoudingen een beetje eerlijk tot stand zijn gekomen. Hoe ver we ook van een volmaakte meritocratie af staan, een liberale democratie heeft er belang bij dat mensen opgroeien met het idee dat ze zich met eigen inzet omhoog kunnen werken. Dat is tegelijkertijd rechtvaardig én een prikkel om jezelf nuttig te maken.
Zelfs als gelijke kansen je koud laten, vreet de grootste vermogensoverdracht aller tijden aan het idee van een rechtvaardige samenleving. Bijvoorbeeld bij – ik noem maar iets onbeduidends – het vinden van een huis. Kijk naar het voorbeeld van die vriendin en je komt er niet onderuit: de winst van een rijkeluiskind betekent automatisch het verlies van iedereen die het zonder zilveren lepel moet doen. In de lange rij voor een koophuis is iedere hulp van ouders een vrijbrief voor een voordringer, en elke voordringer schuift alle wachtenden achter hem een plek naar achteren.
Als ik dit allemaal tegen elkaar afzet, zou ik zeggen: ouders hebben absoluut een recht om iets te schenken of na te laten, maar boven een bepaalde drempel zou dit minstens zo zwaar belast moeten worden als de hoogste belastingen op werk, en waarschijnlijk nog zwaarder.
Want zelfs het recht van de gever bijt zichzelf in de staart. De wapenwedloop rond schenkingen, zeker rond het koophuis, pakt namelijk óók voor ouders nadelig uit. Het is een klassiek gevangenendilemma: natuurlijk help je jouw kind ermee, maar doen alle vermogende ouders mee, dan drijven ze samen de huizenprijzen op. Uiteindelijk legt iedereen meer in voor dezelfde woningen. Zonder al die hulp hadden ouders zelf meer te besteden gehad.
Hoe meer hulp we toestaan op de huizenmarkt, hoe harder hulp nodig is om tegen de hulp van anderen op te boksen. Vraag een vermogende moeder of haar kind zonder financiële voorsprong de huizenmarkt op mag, en de kans lijkt me groot dat ze knikt. Vraag of haar kind mag beginnen met een achterstand op de buurjongen, die zijn koophuis van oma kreeg, en geen ouder die ja zegt. Zo dwingt elke schenking de volgende af. De voorschotsamenleving voedt zichzelf.
En toch: het toptarief bij schenkingen en erfenissen voor kinderen is 20 procent, minder dan de helft van het toptarief bij loon (49,5 procent). Een fulltimeloodgieter betaalt over zijn laatste zuurverdiende euro flink meer belasting dan een kind over de laatste euro van een erfenis. Het tegenargument dat er ‘al belasting over is betaald’ is tevens lariekoek, want het gaat hier om inkomen van de ontvanger, niet van de gever.
Met het huidige belastingstelsel staat geloofwaardige sociale mobiliteit straks op het spel. Dat is niet uit te leggen aan werkende Nederlanders, en totaal de verkeerde prikkel ten tijde van grote personeelstekorten.
Maar wat doen we eraan?
Zo laten we werk wél meer lonen dan geluk
De laatste keer dat er aan de erfbelasting werd gesleuteld, was in 2010. Sindsdien is alles bij het oude gebleven. Gezien de 450 miljard euro die de komende twintig jaar wordt nagelaten, is het haast onvoorstelbaar dat dit onderwerp nog altijd nauwelijks gepolitiseerd is. Wat mij betreft is dat een van de grootste mislukkingen van progressieve partijen, die het al jaren keurig in hun programma’s hebben staan.
Waarom is het ze niet gelukt? Allereerst stuit je bij elke poging op de VVD, de club die zich opwerpt als hoeder van de hardwerkende Nederlander, maar vooral op de barricades te vinden is wanneer iemand aan schenkingen en erfenissen komt. Onverdiend geluk gaat bij die ‘liberale’ partij steevast vóór verdiende inzet: in de wereld van de VVD wordt de euro waar je je handen voor vuilmaakt zwaarder belast dan de euro die je in je slaap krijgt toegeschoven. Daarom noemde oud-premier Mark Rutte de erfbelasting ‘de minst rechtvaardige van alle belastingen’, en daarom verdween het D66-plan voor een hogere erf- en schenkbelasting ook in deze formatie weer onder in een la.
Nu is er een stroming VVD’ers die er anders over denkt – oudgedienden als Klaas Dijkhoff, Arend Jan Boekestijn, Bas Erlings en Maarten van Rossum schreven allemaal een warme aanbeveling voor het boek van Van Loenen – maar die groep is in de minderheid. Naast druk van binnen die partij zal er dus een harde campagne van buitenaf moeten komen, met een duidelijke boodschap: het is de VVD die de harde werker in de kou laat staan.
Het tweede probleem zit bij progressieve partijen zelf, en dat zit hem vooral in de framing. Kiezers staan begrijpelijkerwijs niet te applaudisseren bij de woorden ‘hogere erfbelasting’, omdat ze daarin iets concreets kunnen verliezen (het geld van hun net overleden moeder) en er weinig concreets tegenover staat (een duit in de staatskas, die dunnetjes wordt uitgesmeerd over talloze beleidsterreinen). Wil je een brede coalitie van hardwerkende Nederlanders bouwen, dan moet je er een directe uitruil van maken. Je moet die mensen, zeg maar, iets geven.
Zo’n uitruil ziet er als volgt uit: een initiatiefwet waarin een verlaging van de inkomstenbelasting rechtstreeks betaald wordt uit een verhoging van de erf- en schenkbelasting. De framing is dan: lagere belasting op werk. En dan, kleiner, tussen haakjes: (bekostigd door een hogere belasting op mazzel). Scholen, ziekenhuizen en wegen moeten nu eenmaal ergens van betaald worden, en dan liever van geluk dan van waardetoevoegend werk. Alleen zo’n uitruil houdt het sociale contract overeind.
Cruciaal daarbij: het gaat niet om die ene bescheiden erfenis waar 90 procent van Nederland het mee moet doen, maar om de tonnen die zich opstapelen bij de rijkste 10 procent, boven op de 6.908 euro die ouders toch al elk jaar belastingvrij mogen toeschuiven. Van Loenen doet daar een elegant voorstel voor. Geef iedere Nederlander het recht om een leven lang 250.000 euro aan erfenissen en schenkingen te ontvangen, onbelast. Wat daarboven binnenkomt, belast je oplopend: 35 procent over de eerste vijf ton, 50 procent over alles daarna.
Zo voorkom je dat een belasting voor de rijksten wordt weggestemd door de middenklasse, omdat zij onterecht vrezen dat de fiscus wéér bij hen op de stoep staat.
Ons systeem wordt onuitlegbaar oneerlijk
Kapitalisme was nooit eerlijk, maar is wel, als je het mij vraagt, het beste systeem dat we hebben om welvaart te creëren. De komende jaren dreigen de regels van het spel echter onuitlegbaar oneerlijk te worden. Dat gebeurt ten gunste van de grootste bofkonten en ten koste van de ergste pechvogels. Het ideaal van sociale mobiliteit in Nederland, dat nooit volmaakt was maar altijd enigszins geloofwaardig, staat hier op het spel.
Het is dieptriest, maar met het huidige erf- en schenkbeleid luidt de eerlijke boodschap aan 90 procent van de middelbare scholieren in ons land: hoe hard je ook je best doet, de kans is behoorlijk klein dat je ooit zult kunnen opboksen tegen het vermogen dat straks door de top 10 procent wordt doorgekaatst. De hardwerkende stelletjes zullen eraan moeten wennen dat een koophuis voor hun neus wordt weggegrist door de fortuinlijke student. Leuk geprobeerd, dat salarisstrookje, maar we leven vanaf nu in het tijdperk van vermogen.
Het goede nieuws is dit: we hoeven niet in die wereld te leven. We kunnen er nu nog collectief voor kiezen om een ander land te zijn, een rechtvaardiger land. Maar dan moeten we daar vandaag naar handelen.
Voor dit stuk kreeg De Correspondent inzage in het boek De babyboomerbiljoenen van econoom Jona van Loenen, dat op 22 september verschijnt.